- Maak van de belangrijkste camera instellingen, zoals handmatig scherpstellen, belichten
witbalans en sluitersnelheid, een uitreksel van de gebruiksaanwijzing en stop hem in de
tas bij de camera. Je hebt alle gegevens dan direct bij de hand als je gaat filmen.
- Wees zuinig met stroomgebruik, schakel na de opname de camera uit, en gebruik de
oogzoeker. Beeldscherm en standby gebruiken veel stroom.
- Zorg voor stabiele en scherpe beelden, gebruik bij voorkeur een (stevig) statief. en schakel
de beeldstabilisator uit. Controleer of het oculair goed scherp op je ogen is afgesteld.
- Stel eerst automatisch scherp in tele‑stand, en schakel dan de autofocus uit.
Nu handmatig zuiver scherpstellen en het kader bepalen. Welk kader je nu kiest in
het gehele zoomgebied blijft de opname scherp.
- Bij handmatige belichting eerst op automaat belichten en dan vastzetten..
Een tikje onder belichten geeft meestal een scherper beeld.
- Ga zo dicht mogelijk naar het te filmen object.
Een korte afstand tussen camera en object betekent, niemand kan door het beeld lopen
en de verlichting is op korte afstand beter.
Het resultaat betere belichting, meer dieptescherpte en een beter geluid.
- Lengte opnamen ongeveer 8 seconden. Maak totaalopnamen voor het gevoel iets
te lang. Bij de montage heb je daar veel gemak van.
- Door bij elke opname van standpunt en beeldkader te veranderen voorkom je
beeldspringers.
- Maak van elk object minimaal drie verschillende opnamen, totaal, halftotaal en
meerdere close-ups. Close-ups heb je bij de montage altijd te weinig.
- Let op de beeldcompositie, plaats nooit de horizon of object in het midden van het kader.
Denk bij de opname aan de sterke punten in het beeld. Verdeel het kader in 9 gelijke
vakken door twee verticale en horizontale lijnen.
De kruispunten van de lijnen zijn de sterke punten van het beeld.
- Denk bij totaal- opnamen aan een voorgrondvulling voor dieptewerking en
let op de lijnwerking van het perspectief binnen het kader.
- Zorg voor beweging in de opnamen.
Maak alleen een camerabeweging als het onderwerp niet beweegt,
Maak een camerabeweging altijd in één richting. Begin met 5 sec. filmen,
daarna rustig de beweging tot op een van te voren vastgesteld interessant punt.
Een merkteken op het statief op de plaats waar je wilt stoppen is erg handig.
Na de beweging nog eens 5 seconden doorfilmen.
Maak een camerabeweging bij voorkeur in wide-stand, maar nooit in tele-stand.
Een paar keer oefenen voor de opname, bevordert een rustige camerabeweging.
- Film bij voorkeur met de zon op de rug of schuin achter, ook bij bewolkt weer.
Het voorkomt te donkere beelden.
- Gebruik de zoomlens uitsluitend als het informatie toevoegt aan de film.
Meestal is een totaalopname, gevolgd door een halftotaal en close-up een betere keus.
- Is het live geluid belangrijk, zoals bij muziekopnames, maak dan de opname tot het einde
van het muziekstuk of bij een duidelijke pauze. Verwissel van beeldkader met in en
uitzoom. Je kunt ook afsluiten met een fade-out van beeld en geluid.
Zorg altijd voor een aantal half-totalen en close-ups van het publiek, die je bij de montage
als inserts gebruikt op plaatsen waar je de in en uit zoom hebt verwijderd.
Vergeet het applaus niet.
Categorie: Filmtips & -tricks |
Geen reacties »